Waar je de maximumsnelheid van 30 km/u eerder alleen vond in woonwijken en verblijfsgebieden, wordt deze limiet binnen de bebouwde kom steeds meer de norm. Vooral de grotere steden verlagen de snelheid op meerdere doorgaande wegen in één keer van 50 km/u naar 30 km/u. Een positieve ontwikkeling voor de verkeersveiligheid, maar juridisch gezien een flinke uitdaging. Want hoe zorg je voor een verkeersbesluit dat standhoudt als de weginrichting (nog) niet klaar is voor deze nieuwe norm?
Dat een maximumsnelheid van 30 km/u veiliger is dan 50 km/u staat vast. De remweg is korter en tegelijkertijd zijn de gevolgen van een ongeval bij 30 km/u minder ernstig. Het is dan ook begrijpelijk dat gemeenten de snelheid willen verlagen. Sinds de motie Kröger/Stoffer in 2020 is deze ambitie in een versnelling geraakt. De maximale snelheid van 30 km/u is binnen de bebouwde kom niet langer een uitzondering.
Politieke ambitie versus wettelijke kaders
Vanwege de herkenbaarheid kiezen gemeenten ervoor om de snelheidsverlaging op een groot aantal wegen tegelijk te realiseren. Elke gemeente kiest hierbij voor een iets andere praktische aanpak. Welke aanpak een gemeente kiest varieert van alleen borden plaatsen tot gefaseerd met maatregelen op steeds meer wegen de snelheid verlagen.
Onafhankelijk van de gekozen aanpak geldt voor iedere gemeente dat er verkeersbesluiten genomen moeten worden om de snelheidsverlagingen juridisch vast te leggen. De aanpak die een gemeente kiest, kan bepalend zijn voor hoe soepel het nemen van deze verkeersbesluiten verloopt en welke juridische risico’s deze besluiten mogelijk met zich meebrengen.
Juridische uitdaging
Vanuit de uitvoeringsvoorschriften van het Besluit Administratieve Bepalingen Verkeer (BABW) geldt:
‘De in te stellen maximumsnelheid dient in overeenstemming te zijn met het wegbeeld ter plaatse. Waar nodig worden de omstandigheden op zodanige manier aangepast dat de beoogde snelheid redelijkerwijs voortvloeit uit de aard en de inrichting van de betrokken weg en van zijn omgeving.’ (Paragraaf 4. Voorschriften voor de afzonderlijke borden, Bord A1).
De meeste gemeenten die met deze opgave bezig zijn, willen de nieuwe snelheidslimiet ook invoeren op wegen die nog niet voldoen aan de inrichtingsnormen voor een maximumsnelheid van 30 km/u. Een herinrichting van deze wegen kost veel tijd en geld en gemeenten wachten in veel gevallen liever niet met het verlagen van de snelheid op een weg tot een gepland onderhoudsmoment. Met een snelheidsverlaging wordt daardoor vaak niet voldaan aan het uitvoeringsvoorschrift van het BABW. In juridische zin is dit een risico. Er wordt namelijk niet afgeweken van een richtlijn, maar van een wettelijk voorschrift. Dit maakt het verkeersbesluit mogelijk kwetsbaar bij de bestuursrechter.
De meerwaarde van een gedegen beleidsplan
Om deze juridische risico’s te beheersen, is het de moeite waard om te werken met een duidelijk beleidsplan voor de uitrol van de snelheidsverlagingen. De houdbaarheid van een verkeersbesluit rust immers op de motiveringsplicht en belangenafweging.
Met een dergelijk plan als fundament kan een wegbeheerder in het verkeersbesluit beter onderbouwen hoe hij garandeert dat de weg op termijn wél aan de uitvoeringsvoorschriften voldoet. Bovendien maakt een beleidsplan een zorgvuldige belangenafweging mogelijk tussen de directe voordelen van een snelheidsverlaging op de korte termijn en de eventuele risico’s van een weginrichting die niet bij de maximumsnelheid past. De onderbouwing voor het versneld verlagen van de maximumsnelheid wordt hiermee aanzienlijk krachtiger, omdat de wegbeheerder hiermee de tijdelijkheid van de afwijkende situatie aantoont.
Conclusie: een onderbouwde ambitie
Hoewel bewoners vaak voorstander zijn van een lagere snelheid – waardoor er relatief weinig bezwaarprocedures worden gevoerd – is de juridische houdbaarheid van deze ‘versnelde’ aanpak nog nauwelijks getoetst in de jurisprudentie. Het blijft de vraag hoe een rechter oordeelt wanneer een beleidsplan wordt gebruikt om (tijdelijk) af te wijken van de inrichtingseisen.
Voor gemeenten is het daarom de kunst om de politieke ambitie te ondersteunen met inhoudelijke zorgvuldigheid. Een verkeersbesluit dat rust op een strategisch plan lijkt op dit moment de meest kansrijke rechtvaardiging. Het biedt de noodzakelijke onderbouwing voor de overgangsfase waarin de gewenste snelheid al geldt, maar het geloofwaardige wegbeeld nog in ontwikkeling is. Of dit fundament in de rechtszaal standhoudt zal de toekomst moeten uitwijzen. Een doordachte visie is vooralsnog het sterkste instrument waarover de wegbeheerder beschikt.